Nieuws...

maandag 6 mei 2013

Ook onder nieuw antidopingdecreet geen beroepsprocedure in eigen land


5 november 2009, de dag dat een heuse media-hetze ontstond n.a.v. de zaak Wickmayer – Malisse. Beide tennisspelers werden toen door het Vlaams Dopingtribunaal (VDT) veroordeeld tot één jaar effectieve schorsing omwille van het slecht invullen van hun ‘whereabouts’. Dia dag was slechts één positief punt te vermelden. Middels deze hetze kwam namelijk aan het licht dat de toenmalige Vlaamse dopingreglementering een beroepsprocedure in eigen land ontbrak. 

De constatering dat de Vlaamse regelgeving geen beroepsprocedure voorzag, vormde de aanleiding voor mijn voorstel van decreet. Drie jaar lang bleef mijn voorstel stof vergaren in de coulissen van het Vlaams parlement, tot vorig jaar uiteindelijk het nieuwe ontwerp van antidopingdecreet besproken werd. 


Evenwel moest ik met lede ogen vaststellen dat ook het nieuwe antidopingdecreet geen beroepsinstantie voor elitesporters zou invoeren. Door een amendement probeerde ik deze situatie te remediëren. Ik ben namelijk mening dat een beroepsprocedure in eigen land en eigen taal onontbeerlijk is. Ik vind het maar normaal dat men in Vlaanderen over zowel een eerste aanleg als een beroepsmogelijkheid beschikt. Een beroepsprocedure bij het TAS is duur en tijdrovend, vanuit Vlaanderen hebben we geen enkele vat op deze instantie en het is opgericht naar Zwitsers recht.

De minister verdedigde zich door te stellen dat het decreet niet uitsloot of verhinderde dat een tweede aanleg mogelijk is. De minister vond het evenwel niet wenselijk om dit te verplichten. Onder de mom van de ‘vrijheid van vereniging’ liet de minister die verantwoordelijkheid liever over aan de sportfederaties zelf. De minister ging hierbij echter voorbij aan het feit dat de sportfederaties eerder in eigenbelang handelen dan in het algemeen belang van hun elitesporters. Desondanks stelde de minister dat de Vlaamse Sportfederatie (VSF) meer aan het neigen was naar het instellen van een Vlaamse beroepsmogelijkheid. Mijn hoop ruste dan ook op hun schouders.

Het was echter ijdele hoop. De RvB van het VDT heeft namelijk besloten om geen beroepsinstantie te installeren. Het VDT stelt dat het WADA en de internationale federaties (IF) het recht blijven hebben om finaal in beroep te gaan bij het TAS. Bovendien stelt de Code dat een nationale beroepsprocedure enkel maar mogelijk is voor de nationale elitesporters en niet voor de internationale elitesporters. Volgens het VDT ontstaat door de invoering van een nationale beroepsprocedure een discriminatie tussen internationale en nationale elitesporters en kan in geen geval een procedure voor het TAS uitgesloten worden. Om al deze redenen vindt de RvB van het VDT het niet opportuun een beroepsinstantie in te richten, die alleen maar veel tijd, energie en geld zal kosten zowel voor VDT als voor onze aangesloten federaties.

Als voorstander van een beroepsprocedure in eigen land betreur ik deze beslissing ten zeerste. De federaties laten hiermee eens te meer blijken dat ze handelen in het belang van hun portemonnee en niet in het belang van hun elitesporters. Het VDT spreekt van discriminatie tussen een internationale en nationale elitesporter. Maar ook nu al bestaat discriminatie, zij het dan tussen de elitesporters (waarvoor geen beroepsinstantie bestaat) en de niet-elitesporters (waarvoor wel een beroepsinstantie bestaat). Bovendien moet een finaal beroep bij het TAS altijd mogelijk zijn. Maar dat is nu net het punt, recent heeft het WADA gesteld dat ze vanaf nu, onder impuls van de hoge kosten, geval per geval zou evalueren of een beroep bij het TAS al dan niet zinvol is en zodoende niet langer systematisch zaken aanhangig zou maken bij het TAS. Deze genuanceerde uitspraak van het WADA plaveide volgens mij de weg voor de invoering van een eigen Vlaamse beroepsprocedure. Indien de uitspraak in tweede aanleg volgens het WADA voldoende zou zijn, zouden we tenminste voor deze nationale elitesporter de kosten en de moeilijkheden van een beroepsprocedure bij het TAS uitsparen. Zelfs al voorkomen we dat slechts een aantal elitesporters deze ellende bespaard blijft, vind ik het zinvol om een tweede aanleg te voorzien. Ook minister Muyters trouwens, want hij stelde hierover het volgende: “Als het WADA niet automatisch naar het TAS gaat, ben ik ook voorstander, juist zoals iedereen hier heeft gezegd, om in een beroepsmogelijkheid in Vlaanderen te voorzien. Ik denk dat onze standpunten niet zo ver uit elkaar liggen.”

Ulla Werbrouck
Vlaams volksvertegenwoordiger

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen